Het komt goed! Een dooddoener?

Sinds 15 maart 2012 ben ik verbonden aan Het Syrische Comité in Nederland. In die tijd zijn er vanzelfsprekend vriendschappen ontstaan.
Natuurlijk is de verbinding tot stand gekomen door de oorlog, en door een gezamenlijke wens om de idealen waarmee de vreedzame revolutie begon warm te houden, te koesteren, te verzorgen en waar nodig en eventueel hardhandig bij te snoeien. Maar er zijn een paar vriendschappen bij waarin de situatie in Syrië allang niet meer het hoofdbestanddeel vormt. Waarin ook heel andere gevoelens worden gedeeld, en het samenzijn alleen al aangenaam is. In enkele gevallen lijkt het te gaan om een diepe herkenning: alsof ze je elkaar al jaren hebt gezocht, een vermoeden had van elkaars bestaan, en nu is daar zo’n onverklaarbaar gevoel van thuiskomen in een harts-vriendschap. Overigens gebeurt dit ook regelmatig tussen Syriërs onderling, die elkaar pas hier in Nederland leren kennen.
Je kunt dit als een wonder, een geschenk beleven.
In alle innigheid, en vaak dwars door religies heen: een diep beleefde dankbaarheid.

Feitelijk bezien is er maar één iemand aan wie deze bijzondere ontmoetingen te danken zijn, en dat is Bashar al Assad. Als zijn vader geen wrede dictator was geweest, als hij geen oorlog tegen zijn eigen burgers was begonnen, was vluchten niet nodig geweest – en soms verzuchten mijn vrienden en ik wel eens ‘…En dan hadden we elkaar waarschijnlijk nooit leren kennen.’
Hoewel dit in objectieve zin dus waar is, kan de dankbaarheid natuurlijk niet oprecht zijn. Ze zou een miskenning van alle wreedheden en puinhopen zijn en verraad betekenen aan alle slachtoffers, alle nabestaanden, alle verdronken vluchtelingen en alle zwaar getraumatiseerde overlevenden, onder wie deze vrienden zelf. Zo is daar dus de paradox: ja, de vriendschap is een geschenk waar we heel dankbaar voor zijn, en nee, de aanwijsbare ‘schenker’ van deze vriendschap weigeren we te bedanken – sterker, we zullen hem blijven aanklagen voor zijn wandaden. En als we God bedanken voor onze vriendschap, dan bedanken we hem uiteraard NIET voor Bashar al Assad en diens regime.
Integendeel. We bidden liever voor vrede en voor de doden, zo die nog ergens zijn. En daarnaast houden we onze ogen open voor de oorlog daar, voor de doorwerkingen hier: want evenveel jarenlange vriendschappen versplinteren door de trauma’s, mensen worden ziek, of raken gefrustreerd, achterdochtig, en soms brengen de verwondingen het minst fraaie in hen naar boven. Er is een gelijktijdig leven in twee of meer werkelijkheden, waarmee ik niet slechts doel op de Nederlandse en Syrische werkelijkheid.

De oorlog brengt een versnippering van het bewustzijn teweeg, maar ook een verheviging, een intensivering ervan. Het hart is verscheurd, de voorhang voor de werkelijkheid is verscheurd en scheurt nog dagelijks.
Er zijn concrete ervaringen van mensen, die zouden kunnen bewijzen dat God bestaat en deze wereld nog steeds niet heeft losgelaten, en er zijn minstens zoveel ervaringen die voor eens en voor altijd ‘bewijzen’ dat God hooguit een menselijke uitvinding is, die bovendien is gecreëerd om moord en doodslag te rechtvaardigen. Duidelijk is in ieder geval wél dat hij niet ingrijpt, en dat hij zelfs degenen die zich Gods ware volgelingen wanen geen speciale steun verschaft.
Er zijn alleen maar verliezers, van wie en wat dan ook en het zou misdadig zijn om deze vuile oorlog van een zin, een betekenis te voorzien. Ze is geen straf van God, en ze is geen beproeving, geen loutering, en geen zegen in vermomming, geen noodzakelijk stadium op weg naar bekering en eeuwig heil, met helaas een heleboel collateral damage – die op den duur toch weer verwaarloosbaar wordt. Zelfs de Syriërs die God bedanken voor de zegeningen die ze onderweg naar hier hebben ondervonden, voor het sparen van de levens van dierbaren, voor het vinden van een huis en werk en zorgzame Nederlandse buren, en voor gezinshereniging, beseffen:  dat het geen pas geeft zich hierdoor als uitverkorene te beschouwen, als iemand die, na de nodige tegenslagen, in Gods ogen kennelijk een VIP-behandeling heeft verdiend, een glansrijke herkansing heeft gekregen.
Men  is er zich altijd van bewust hoevelen er niet meer zijn, niet alleen onder de mensen die iemand bij leven goed heeft gekend, maar ook onder de landgenoten van wier bestaan men nooit weet heeft gehad.
Zelfs de klacht: ‘Kijk mij eens onmachtig zijn,’ lijkt niet aan de orde: ‘Als er al een God is, dan zou het Hem nu niet om mij moeten gaan. Ik red me wel. Laat hem niet hier bij mij zijn, maar daar. Maar dáár. En niet alleen nu ik dit bid, maar vannacht ook, en morgen, en gisteren, en vorige week. ’
Het is misschien een bidden te noemen waarin de bidder zijn ego opgeeft; dat scheelt weer een mond die gevoed moet worden, een hart dat geheeld moet worden, tranen die gedroogd moet worden. ‘Niet ik, maar de anderen hebben God nodig, en alleen Hij kan weten hoe.’

Het is precies middenin dit verwarde gestamel, dat iemand soms zomaar hardop tegen anderen kan zeggen: Het komt goed.
Natuurlijk, je kunt het als een dooddoener beluisteren, en soms is het dat ook.
De broodnodige illusie, de valse hoop, de bezwering van eigen vertwijfeling.
Het kan klinken als een ingehouden snik, als een bars bevel, als een cynische grap, als een prophecy die je, als je hem maar vaak genoeg herhaalt, met zoveel mogelijk vrienden, misschien wel selffulfilling wordt. Het kan klinken als een toezegging, als een huwelijksbelofte, als een afspraak zoals je die met de loodgieter of de timmerman maakt, na de ontdekking van een defect in je huis: ‘We gaan dit klusje praktisch aanpakken, morgen om tien uur sta ik voor uw deur, het komt goed.’
Maar een enkele keer klinken de woorden ‘Het komt goed’ alsof ze door iemand heen gesproken worden. Alsof het de begin en de slotregels zijn van een lied dat spontaan in hem opwelt. Alsof hij is aangeraakt door vuur, en de stem de kracht heeft van een vlam die nooit meer zal doven. Alsof iemand ademt voor twee, voor drie – alsof hij de inspiratie inademt als frisse, serene, schone berglucht en anderen met deze drie woorden opwekt.
Het komt goed
. Niet als een prognose, een hypothese, een mening, de uitkomst van gedegen onderzoek en ervaringen. Het is alsof boven spreekt, bij monde van zomaar iemand beneden.
Ik geloof niet dat het God is die hier spreekt, en ik geloof ook niet dat het niet God is die hier spreekt en dat er alleen maar een mens aan het woord is. Ik geloof dat er vriendschap aan het woord is. Liefde. Ik geloof dat de woorden ‘Het komt goed’ niet van deze wereld zijn. Niet van een door God gedragen wereld, en niet van een door God verlaten wereld. De woorden zelf zijn geest, zijn God, zijn poëzie – die naar niets concreets in deze wereld verwijzen. Wat er met ‘het’ bedoeld wordt, weet niemand. Wanneer het goed komt en hoe dat goede eruit zal zien – weet niemand. Maar de woorden klinken als een bevestiging waarmee je wel moet instemmen.
‘Ook al maak ik het zelf niet meer mee, het komt goed.’
Het zijn woorden die de littekens kunnen verzachten. Het zijn woorden die de innerlijke tranenstroom voor even dempen. Het zijn woorden waardoor mensen elkaar kunnen aankijken, recht in het gezicht. Waardoor ze elkaar bij de schouders vastpakken, omhelzen, kussen of een stevige handdruk geven, om voor even vrienden voor het leven te worden, dwars door alles wat hen scheidt of probeert te scheiden. Het zijn dansbare woorden, het zijn woorden van verzet en van overgave in één.  Het zijn woorden waarin bidden, klagen, smeken, danken, wanhopen en vervloeken samenvloeien in een oningevuld visioen dat geen enkele godsdienst als het hare kan opeisen, en dat het goed komt betekent: zonder uitzondering. Er zijn geen uitverkorenen, of iedereen is evenveel uitverkoren. Zoals iedereen evenveel verliezer is, is het niet van huis en haard, dan wel van mededogen en menselijkheid.
Soms, wanneer een Syrische kennis of vriend of vriendin ‘Het komt goed’ zegt, denk ik even aan den lijve te voelen, te weten, wat onbaatzuchtige, onvoorwaardelijke liefde is. Met aanzien des persoons. Boven spreekt zich uit in beneden, nee, boven is beneden en kan dat blijven worden. Verbeelding en scheppingskracht worden één, vriendschap en moed worden één, doden en levenden worden één, even maar: ‘het komt goed’ vervult een oeroud heimwee én zet je op een zoektocht op weg naar een nieuw huis, een nieuw land, een nieuw Aleppo, middenin het rokende puin, het besmeurde, opwaaiende poeder.

Deze woorden zelf uitspreken tegenover Syrische vrienden, of ze beantwoorden, is natuurlijk not done. Ik heb er het recht niet toe. Ik niet. Het zou als spotten klinken.
Door keer op keer al mijn eigen ‘spreken van beneden over boven’ te ontleden, te ontmantelen, sta ik met lege handen tegenover mensen die pas echt weten wat het is om met lege handen achter te blijven en dóór te moeten leven. Ik word gedwongen stil te zijn, beschroomd, beschaamd, en alleen maar te luisteren, te lezen, te horen.

En dan de ontdekking dat je het juist uit de monden van zulke tot bittere, bloedende werkelijkheidszin gedwongen oorlogsvluchtelingen wel moet geloven. Moet blijven geloven. Zonder ook maar één schamel grammetje bewijs. Steeds voor de eerste keer.
Als een leerling, als een vriend. Als iemand die deze keer niet in slaap willen vallen, maar wil waken.
Niet alleen in dat ene uur. Waken is biddend nabij is zijn zonder woorden. Het is tegen de fysieke wetten ingaan, de noden van je eigen lichaam opgeven, opdat het gezien wordt, gehoord.
Wat? Wie?  Door wie? Waarom?
Vraag nu maar niets meer. Laat je herscheppen door de woorden.
Het komt goed. Een driewoords gedicht, met taal nog magerder dan die van de dichter Jan Arends.
Dat kunnen zeggen, en kunnen horen: dat is genade.
Van de duurste soort. Nee, onbetaalbaar. Niet in de taal of getallen van beneden uit te drukken.
Door geen mens.

1 reactie:

  1. Je hebt ze gevonden, Désanne, de woorden om de vele gevoelens rond de verschrikkelijke gebeurtenissen in en om Syrië over te brengen. Stil maar. Alleen een blik of een omhelzing. Het komt goed…